|
De gebeurtenissen in de tweede wereldoorlog, speciaal die
in 1941 in Bilthoven, krijgen hier hun vervolg. Een oproep via de radio op
18 maart 1994 tot contact met mijn
familie bereikt mij nog diezelfde dag. Die oproep is afkomstig van de auteur van
een in 1995 verschenen boek, oplage 500 exemplaren, over twee verzetspioniers (ISBN 90-802274-1-2). Daarin wordt ook de arrestatie beschreven van Jaap Sickenga en Hans
Zomer op 31 augustus 1941. Het voorwoord van Geert Poorter maakt melding van
uitgebreid speurwerk voor 'verzetspioniers'. 'Zo weten we nu met zekerheid, na meer dan vijftig
jaar twijfel, waar ze samen met 22 lotgenoten gestorven zijn'.
In
een interview van de auteur, op 10 april 1994, met Chris Beem, toenmalig
gevangene nr. 39616 in Sachsenhausen, wordt gemeld: 'Op een gegeven
ogenblik riep Hans (Zomer) mijn naam. Hij riep 'Chris'. Hij herkende mijn
gezicht'. En verder: ...'Ze werden zwaar bewaakt. Bij Hans liep een
heel stel mensen'. Dat was op de zondagavond van de 10e
mei 1942. Hans en Jaap
werden, met 22 anderen, in april 1942 in Maastricht ter dood
veroordeeld. Hij en Chris kenden elkaar van de adelborstenopleiding.
de
arrestatie
Naar
aanleiding van deze publicatie meldt Trudi Pot, Jaap's verloofde die
later trouwt met een goede vriend van hem, daarna mevrouw G.A.
Bouwman-Pot, op 19 juli 1998 haar waarneming van de gevangenneming van Jaap
en Hans. Hier volgen enkele fragmenten daaruit. 'Ik ben', schrijft ze, 'de
enige destijds volwassene die nog in leven is, die bij de arrestatie
aanwezig is geweest en ik wist natuurlijk wel het één en ander. 'Vlak vóór de arrestatie
hebben Jaap en ik het er over gehad dat ik koerierster zou worden. Dat is
toen natuurlijk niet door gegaan. Ik was zwaar verdacht, en ben er zeker
van dat mijn gangen werden nagegaan. Als Jaap en Hans, die ik kende als
Piet, aan het seinen waren, zat ik beneden in de achtergarage, Jaap's
kamer, op de uitkijk, en zij boven op de zolder. Als er iemand aan kwam
riep ik: 'Wat leuk, daar is die en die'.
De
zender zat in een zwart lakkoffertje, dat Hans achter op de fiets meenam.
Jaap en ik hadden een iets groter zwart lak picknickkoffertje. Daar zat nu
het archief in. Op Jaap's kamer stond een kachel'. Verder schrijft ze:
'Als ik gepakt werd, mocht ik Hans (Piet dus voor mij) kennen. Ton Fauchey
kende ik al lang van voor de oorlog. Jan Meyer mocht ik
niet kennen'. 'We
wisten ook niet dat de zender gepeild kon worden. Eerst hadden ze een
zender in Amersfoort. Ik hoorde van Jaap dat die op een gegeven moment
niet meer kon werken, en toen is Hans op komen dagen. Hij mocht bij Jaap
boven de garage en zijn
kamer zenden, maar dan ook voor zijn groep.
Op
de dag van de arrestatie logeerde ik er, in het woonhuis. Ik ging Jaap
waarschuwen
voor het ontbijt, opende de deur van zijn kamer. Jaap was
papieren aan het verbranden
in de kachel, nerveus en met grote haast, en
schreeuwde 'Donder op!!' Ik terug naar binnen. Kort daarop kwamen de Duitsers'. Dan schrijft
ze: 'Even na de arrestatie werd ik tussen de keuken
en de achtergarage ontboden. Twee Duitsers in burger hielden mij een foto
van 'Piet' voor en vroegen: 'kent u die?'. Ik zei volgens de
instructie 'Ja'. Ze
wisselden een veelbetekenende blik met elkaar.
Daarvóór of daarná, dat weet ik niet meer, duwden ze het lakkoffertje
van het archief geopend en leeg onder mijn neus en brulden: 'Waar is de
zender?!' Ik maakte een verbaasd gebaar en zei: 'De zender???' en haalde
bevreemd mijn schouders op. Ik dacht: Het archief is er dus uit en zij
denken dat dit het koffertje van de zender is. Van
Jaap's ouders heb ik gehoord dat ze de zender nooit gevonden hebben. In
elk geval zijn de jongens niet al zendend gepakt. Jaap was beneden aan het
verbranden. Volgens zijn moeder was Hans in paniek aan komen fietsen en
had gezegd: 'ze zitten achter mij aan'.
Ook maakt Tru in dit relaas melding
van het einde. Ze schrijft: 'Op 11 mei 1942 logeerde ik bij de Sickenga's in de kamer
van Net. Vroeg in de morgen werd ik in mijn slaap gestoord door iets.....
Toen sliep ik weer in'. En vervolgt ze, kennelijk later op die dag: 'De advocaat belde mij bij de buren (de Sickenga's
hadden geen telefoon). Hij vroeg naar mij. We gingen net aan het
avondeten. Hij vertelde mij dat ze waren doodgeschoten. Aan tafel vertelde
ik het aan de familie'.
afscheidsbrief
Gedateerd
op 11 mei '42 - dat moet nog heel vroeg in de nachtelijke ochtend
geweest
zijn - schrijft ook Jaap met potlood zijn afscheidsbrief. Daarin
meldt hij onder andere:
|