|
De verjaardag van Koningin Wilhelmina. Op de
vleugel een mand vol fel oranje Afrikaantjes. Een gedekte
ontbijttafel. Een zonnige zondag, maar ik zal er niet van genieten. Ik lig
op de canapé in de woonkamer. Met bronchitis of zoiets.
Vader doet het raam in de erker open en
klopt de kruimels van de broodplank. En een hels kabaal breekt los. Wat er
gebeurt heb ik niet gezien. Weet wel dat we ineens allemaal op het terras
staan - ik inde openslaande deuren. Vreemde mannen om ons heen. Er wordt
duits gepraat Het volgende beeld van mijn herinneringen is een man die in
de stoel van mijn moeder in de erker is gaan zitten. Ik sta er naast en
zie eerst Jaap in zijn hemdsmouwen, handen in de nek en een man achter
hem, 't grindpad aflopen.
Even
daarna volgt een tweede man met z'n handen in de nek. In een zwarte
regenjas. Ze stappen in een soort DKW en rijden het plein af. Weg. De
Duitser in mijn Moeders stoel vraag ik of ik Jaap nu nooit meer zal zien.
Hij mompelt iets ter geruststelling. Maar waarom ik die vraag stelde
biologeert me nog steeds. Tien jaar oud had ik het begin van de tweede
wereldoorlog bewust beleefd. De overkomende Duitse vliegtuigen. Het eerste
lichtafweervuur van Soesterberg. De eerste keer ook, dat ik mijn vader zag
huilen - bij de capitulatie op 14 mei 1940 - en kort daarna de eerste
duitse soldaten op hun door paarden getrokken 'boerenwagens' met die
eigenaardige 'koektrommels', hun helmen en blikken bordjes op hun borst.
Maar wat wist ik van het verzet? Laat staan het 'Engelandspiel'.
Er
is veel geloop in huis. De wc wordt voortdurend doorgetrokken. We proberen
'normaal' te ontbijten. Het gevoel van een feestelijke dag is op slag weg.
Niemand mag meer de kamer uit.
De
canapé heb ik die dag ook niet meer gezien. In de loop van de
ochtend komt er bezoek. De familie Overdijkink met kinderen. Ze zitten
opgeprikt op een stoel tot dat ze naar huis mogen. Op een gegeven
moment zie ik mijn moeder naar het erkerraam lopen. Zij, of mijn zuster
Net, doet open en roept 'meisje, niet thuiskomen'. Later hoor ik, dat het
om mijn zuster Ick gaat die niets vermoedend over het plein aan komt
fietsen.
Naarmate
de tijd vordert neemt ook de onrust toe. Hoe moet het verder gaan. Ergens
in de middag verschijnt er een kennelijk hoge ome met veel lintjes en een
enorme lefpet. Klein van postuur. Mijn moeder ziet dat ze er onder andere
van door gaan met mijn welpen petje en oranje das van de padvinderij. Ze
imponeert me doordat ze ook duits kan praten.
Maar
er zijn veranderingen op komst. Vader, Trudi Pot - Jaap's verloofde - en
ook Moeder moeten mee. Wij, mijn broer Floor en ik kunnen ook niet thuis
blijven. Wie er al vertrokken zijn als wij met ons koffertje het grindpad
aflopen weet ik niet meer. Ik meen dat mijn moeder en Net er nog waren. We
lopen via het klaphek over de spoorlijn Utrecht-Amersfoort, naar het huis
van de familie Overdijkink. Het is nog licht, maar verder gaat de
herinnering niet.
We
hebben daar gegeten - denk ik. De duitsers die ook in hun huis zaten toen
zij na hun bezoek thuiskwamen waren al lang weer vertrokken. De
herinnering gaat niet verder dan een bed op zolder, met een schuine
houten kap vlak boven m'n hoofd. Floor in dezelfde ruimte. Samen zongen we
: 'daar ruist langs de wolken'. Dat kenden we. Van de zondagsschool of van
tante Jeanette in Wolvega.
Huilend
ben ik in slaap gevallen. Een week later - kennelijk - waren we weer
thuis. In die tussentijd dorst ik er haast niet langs te gaan. Hoewel ik
een prima opvang vond bij de familie Matthijsen, bij mijn vriend Lute. De
gele stroken met stempels er op ter verzegeling van de luiken, deuren en
ramen zijn me altijd bij gebleven. Zoals zo veel meer van de jaren daarna.
En
Jaap heb ik inderdaad nooit meer weergezien.
Utrecht,
16 -01-92
Nicolaas
Sickenga
|